Luk van Haute, vertaler en aardbewoner

Afgelopen september verscheen de Nederlandse vertaling van Aardbewoners, van Sayaka Murata. De roman handelt over de jeugd en het volwassen leven van hoofdpersoon Natsuki, die grote moeite heeft om zich aan te passen aan de verwachtingen van de volwassenen boven haar. En, als ze eenmaal volwassen is, te ontsnappen aan diep in de Japanse maatschappij verankerde wetmatigheden van trouwen en kinderen krijgen. Een intrigerende en interessante Japanse roman die voor ons ontsloten werd door vertaler Luk van Haute. Katern: Japan had de eer om met Luk te spreken over de strategie die hij hanteerde voor het vertalen van deze roman, en hoe het vertalen van Japans naar Nederlands zijn beroep werd.

Waarom ben je Japanse literatuur gaan vertalen?

‘Het literair vertalerschap, dat is natuurlijk niet iets waar ik bewust aan dacht toen ik destijds met mijn studie begon. Ik was wel van heel jongs af aan geïnteresseerd in literatuur, in taal en in schrijven. Één van die jongetjes die, toen hij tien jaar oud was, al zijn eerste verhaaltjes schreef voor het beperkte publiek van de familiekring natuurlijk. Met de typische overmoed of naïviteit van de tiener die ik toen was, wilde ik eigenlijk aan de universiteit een taal studeren die ongewoon was. Engels? Dat ken ik al en Frans en Duits is vervelend, dat doen al zoveel mensen. Via een proces van eliminatie kwam ik bij het Japans uit, destijds de meest ongewone taal om te studeren in België. Nu is Japan zelf populair, maar ik spreek hier over 1980, meer dan 40 jaar geleden. Ik had eigenlijk bijna geen enkele voorkennis van Japan en de Japanse cultuur, wist daar helemaal niks van. Ik had ook geen bepaalde interesse in Japan, het was eigenlijk heel toevallig. Natuurlijk, achteraf bekeken, bleek dat in allerlei opzichten wel een goede keus te zijn. Ook qua timing, omdat tegen de tijd dat ik min of meer klaar was met deze studie, ik één van de weinigen was die een degelijk niveau van Japans had, goed genoeg om literatuur te vertalen. Ik heb voor mijn proefschrift met een beurs van de Japanse regering naar Japan kunnen gaan, en werd Kenkyuusei (onderzoeker) aan de universiteit van Tokyo. Mijn proefschrift ging over het vroege werk van Kenzaburo Oë. Omdat ik voor mijn proefschrift novellen van Oë had vertaald, heb ik die op een bepaald moment ook opgestuurd naar Meulenhoff, de uitgeverij die al eerder werk van Oë had uitgegeven. In eerste instantie hebben zij dat manuscript teruggestuurd met de boodschap dat die verhalen – dat ging dan met name over Seventeen – veel te bizar waren voor hen. En dat er bovendien nog wel het één en ander schortte aan de degelijkheid van mijn vertaalde tekst. Maar dat was het jaar vóór Oë de Nobelprijs won, in 1994. Dat was voor mij persoonlijk ook een gelukkig toeval, want tegen die tijd had Meulenhoff een nieuwe directeur en omdat Oë de Nobelprijs won, wilden ze dan toch nieuw werk van Oë uitgeven. Ze hadden mijn manuscript dan toch nog ergens in hun archief zitten en ik kreeg opnieuw de boodschap dat ze het wel wilden uitgeven – als ik het tenminste eerst eens grondig wilde bijschaven en oppoetsen. Zodoende heb ik eigenlijk mijn debuut kunnen maken als literaire vertaler. Daar is het vrij lang bij gebleven, door ook weer een naïeve gedachte: ik heb werk van een Nobelprijswinnaar vertaald, ik word steenrijk. Een grove misrekening: ik kwam er al snel achter dat Japanse literatuur ten eerste in hele beperkte mate wordt verkocht en ten tweede dat je daar nauwelijks iets mee verdient. Ik heb daarna nog pakweg tien jaar andere bronnen van inkomsten gezocht omdat er nu eenmaal brood op de plank moet komen, maar rond 2005 kreeg ik een nieuw bericht van Meulenhoff met de vraag of ik een boek van Yasunari Kawabata wilde vertalen voor hen. Toen was er al één en ander veranderd, ook op persoonlijk vlak. Ik was toen 40 geworden en dat is een moment dat je denkt; ik wil zo zoetjesaan me toch weer gaan bezig houden met wat ik echt graag wil doen in het leven, voor het helemaal voorbij is, hè. Dus was het gedaan met de handleidingen voor stofzuigers en dat soort toestanden waarmee je wel geld verdient, maar niet echt creatieve voldoening behaalt. Gelukkig bestond er iets als het Vlaams fonds voor de Letteren, waar je subsidie kon aanvragen voor een vertaalproject. En dat veranderde natuurlijk de situatie ook financieel. Het was nog altijd niet zo dat je er steenrijk van werd, integendeel, je kon er zo net van leven. Sindsdien, bijna twintig jaar geleden nu, is het mijn hoofdactiviteit geworden: het literair vertalen en het schrijven over Japan, en ook nog wel bezig zijn met Japanse cinema via filmfestivals en dergelijke. Maar in elk geval heb ik toen besloten dat ik alleen nog met cultuur en literatuur bezig wil zijn en de rest laat, al verdien je er veel geld mee.’

Luk van Haute begon in 1980 zijn studie Japanologie aan de Universiteit Gent. Bijgevolg belandde hij midden jaren ’80 met een studiebeurs van de Japanse overheid aan de Universiteit van Tokyo (vakgroep Vergelijkende Cultuur en Literatuur).

De decennia daarna verbleef Luk in diverse hoedanigheden in Japan: als werknemer bij een filmproductiemaatschappij, als tolk, als toerist, als schoonfamilie, als academicus, als journalist en als literair vertaler.

De afgelopen 30 jaar leverde hij voor kranten, tijdschriften, radio en televisie regelmatig bijdragen over de Japanse cultuur en samenleving. Luk gaf ook talrijke lezingen over die onderwerpen.
Na het behalen van zijn doctoraat (over het werk van de Nobelprijswinnaar literatuur Kenzaburo Oë) doceerde Luk onder andere aan de universiteiten van Leiden, Leuven en Gent en aan de Hogeschool Gent.

Hij publiceerde het boek De revival van de Japanse film, was betrokken bij filmprojecten in of over Japan en deed podiuminterviews met Japanse regisseurs op verschillende filmfestivals.

De laatste jaren is Luk voornamelijk actief als literair vertaler. Voor de door hem samengestelde en vertaalde bloemlezing Liefdesdood in Kamara en andere Japanse verhalen kreeg Luk in 2015 de Filter Vertaalprijs.
In mei 2019 verscheen bij Uitgeverij Lannoo zijn non-fictie boek Japan: schetsen uit het leven, gebaseerd op ervaringen, belevenissen en ontmoetingen in Japan.

Zijn laatste vertaling is Aardbewoners (2021): Natsuki brengt met haar neef Yuu de zomers door in de bergen van Nagano, waar ze droomt over andere werelden. Wanneer een reeks van verschrikkelijke gebeurtenissen de twee kinderen voor altijd van elkaar dreigt te scheiden, beloven ze elkaar koste wat het kost om te overleven. Haar donkere verleden blijft Natsuki achtervolgen, ook als ze volwassen en getrouwd is. Natsuki slaat op de vlucht en keert terug naar de bergen uit haar jeugd. Ze bereidt zich voor op een hereniging met Yuu. Zal hij zich hun belofte herinneren? En zal hij haar helpen haar daaraan te houden?

Goed, dat je dan hebt doorgezet.

‘Ja, als literaire vertaler is dat niet altijd evident geweest. Je kunt dat een beetje vergelijken met een acteur; je weet nooit wanneer een volgende opdracht binnen komt. En bij het vertalen van Japans zijn we natuurlijk niet met zoveel: je hebt Jos Vos, Jacques Westerhoven, en Elbrich Fennema. De laatste tijd komen er wel een paar nieuwe mensen bij, maar dat is het zowat. De taart is ook heel klein. Er wordt nog altijd niet zoveel vertaald van het Japans naar het Nederlands, dus het is zelfs voor mij, Jos, Jacques en Elbrich niet zo dat wij voortdurend opdrachten krijgen of dat we de keus hebben tussen verschillende dingen. Je moet altijd hopen dat er op het juiste moment iets komt, dat je (hoe ideaal) net klaar met iets bent, maar soms komen er twee tegelijk en dan moet je er eentje weigeren. Je zou kunnen denken, ik heb maandenlang heel hard gewerkt, ik heb nu een beetje vakantie, dat is de positieve manier om het te bekijken. Maar je kunt ook denken: oei, ik ben werkeloos, ik heb geen inkomen! Je weet nooit hoe lang die periode gaat duren.’

Dat is dan inderdaad lastig, het wachten op een opdracht. Maar heb je dan tussendoor bijvoorbeeld getolkt?

‘In de jaren ’90 heb ik ook heel veel getolkt voor bedrijven en ook dat was ik beu. Omdat ik me ook steeds minder kon schikken in die dienende rol. Iedereen zal het wel eens meegemaakt hebben; Japanners kunnen heel aangenaam en vriendelijk zijn maar je hebt ook complete hufters natuurlijk, vooral de nouveau riche, zakenlui die denken dat de wereld aan hun voeten ligt en ook de tolk behandelen zoals ze hun eigen werknemers behandelen; namelijk als vuilnis. En ik heb het een paar keer meegemaakt dat ik bijna een keer één van die omhooggevallen pipo’s naar de keel greep, dus dat werk was iets waar ik dringend mee moest op houden. Ik heb daarna nog wel heel af en toe tolkwerk gedaan, maar alleen voor filmfestivals. En als ik alleen zelf de ‘regie’ in handen heb. In Rotterdam doe ik al twintig jaar podiuminterviews met Japanse regisseurs die daar te gast zijn, dus vóór en na de film een Q&A. Ik heb zelf ook een paar jaar in Tokyo in de filmindustrie gewerkt, bij een filmproductiemaatschappij. En ik heb in de loop der jaren heel veel van die Japanse regisseurs persoonlijk leren kennen. Ik heb ook een boek over Japanse cinema geschreven en dat is één van de redenen dat ik niet wilde dat er mensen op het podium vragen kwamen stellen die ik dan moest vertalen; die volslagen idioot waren omdat die interviewers geen flauw benul hadden wie een regisseur was. Ze hadden dat vijf minuten van te voren even in een catalogus of op Wikipedia opgezocht en dat was het dan. Toen heb ik gezegd dat ik het liever zelf doe. In 2000 hielp ik bij een echte special over Japan. Dat programma heette toen “No Cherry Blossoms” en daarmee wilde men aantonen dat nieuwe Japanse cinema niet alleen maar over de kersenbloesems ging. Daar was dat jaar en ook de jaren daarna een groot aantal Japanse regisseurs die toen opgang aan het maken aanwezig. Ik denk dat in Japan doorgaans niet zoveel regisseurs samen op één plaats zijn.

In het westen bestaat een duidelijk idee van wat filmhuis of alternatieve cinema is. Loopt dat in Japan juist wat meer door elkaar? Regisseur Kitano Takeshi presenteert bijvoorbeeld ook een spelshow, terwijl veel van zijn films in Europese filmhuizen draaien.

‘De presentator van De Slimste Mens in België, Erik Van Looy, is ook filmregisseur, dus het is geen typisch Japanse uitzondering dat Kitano ook spelshows presenteert, maar Kitano is natuurlijk in Japan ook ongewoon, de meeste regisseurs in Japan zijn alleen filmregisseurs en worden daar meestal ook niet echt rijk van. Rijk word je met TV en reclamefilmpjes, maar niet met echte cinema, in Japan tenminste.’

Is er in Europa meer ruimte voor alternatieve cinema dan in Japan?

‘Ja, je hebt hier ook subsidie, ondersteuning van overheidswege, net als voor de vertalers. In de jaren negentig was er in Japan wel nog geld te vinden voor alternatieve cinema, en daarom zijn er toen ook zoveel boeiende films gemaakt. Maar momenteel zijn de budgetten doorgaans heel klein, en dat merk je vaak aan de kwaliteit van de productie, helaas.’

Je hebt er nu je werk van kunnen maken, het literair vertalen. Het is anders gegaan dan bij Jos Vos, die een Japanse vrouw ontmoette. Ben jij ook met een Japanse vrouw getrouwd?

‘Ja, uiteindelijk wel, maar dat heeft weinig direct verband met m’n keus voor literair vertalen. Bij Jacques Westerhoven is het ook via de liefde gegaan, hij is zijn vrouw gevolgd naar Japan, als ik het goed heb. Jacques is weliswaar een generatie ouder, maar voor ons alledrie geldt dat er nog geen specifieke opleiding bestond voor literair vertaler. Nu kun je als literair vertaler opgeleid worden, hoewel dit nog steeds niet bestaat voor Japans. Daarnaast kun je wel specifiek workshops Japans vertalen volgen, zoals ikzelf en ook Jacques Westerhoven er een paar hebben gegeven. Dus dat is er nu allemaal, maar toen niet. Je kwam er per toeval in terecht. Om te illustreren hoe anders het destijds ging; ik heb mijn eerste Japanner pas ontmoet toen ik in het derde jaar zat van de universiteit. Dat was de tijd dat een pakje uit Japan nog maanden onderweg was met de boot. En dat er nog geen enkele Japanner rondliep in een stad als Gent. En aan de universiteit hadden we helemaal geen native speakers als docent, dat was allemaal heel abstract nog.’

Kon je onder elkaar dan de Japanse taal spreken?

‘Wij spraken eigenlijk nauwelijks Japans, dat was bijna zoals we op de middelbare school Latijn en Oud Grieks hadden geleerd. We bestudeerden op een filologische manier teksten; we deden tekststudie, conversatie kwam er eigenlijk niet of nauwelijks aan te pas.’

Wanneer wist je echt dat je dit in de nabije toekomst wilde blijven doen?

‘Toen ik met de opleiding begon, had ik er eigenlijk nog niet bij stil gegaan dat ik ook naar Japan zou gaan, dat was in die tijd het Verre Oosten: echt letterlijk ver weg. Je kon er ook nog niet met een directe vlucht naartoe, dat moest via allerlei omwegen over Alaska, Siberië of Zuidoost-Azië. Het was ook gigantisch duur. Maar, in mijn laatste studiejaar had ik deelgenomen aan een taaltest die jaarlijks werd georganiseerd in Japanse ambassades over de hele wereld. En als je de eerste van je land was, dan mocht je voor twee weken naar Japan op uitnodiging van The Japan Foundation. Ik was nummer 1 in België, ik had daar ook wel naartoe gewerkt omdat ik dacht, met mijn eigen geld kom ik nooit in Japan. Dat waren de jaren ’80, de tijd waarin er heel veel geld was in Japan – de economische bubbel. Japan was erop uit om haar imago in de buitenwereld zo positief mogelijk te maken. Die twee weken in Japan, dat was ongelooflijke luxe. Wij verbleven in de beste hotels, gingen naar de chicste restaurants, kregen er nog zakgeld bovenop, dus dat werkte. Ik dacht, Japan is fantastisch, ik wil zo snel mogelijk terug. En de enige mogelijkheid om dat te doen, was via een beurs van de Japanse overheid, verstrekt door het Monbushō, het Ministerie van Onderwijs en Cultuur. Maar ook omdat het in die tijd in West-Europa de tijd van de jeugdwerkeloosheid was, kon je heel moeilijk een baan vinden. En al helemaal als Japanoloog. In Japan had je net het omgekeerde, had je de economische bloei, ze plukten je als buitenlander bijna van de straat om buitenlandse conversatielessen te geven tegen heel veel geld per uur, dat was een paradijs, een speeltuin in vergelijking met de ellende die me te wachten stond in België. Ik wilde daar natuurlijk naartoe. Qua timing was het perfect.’

Je heb dus ook in Japan gewerkt?

‘Ik had anderhalf jaar die beurs van het Monbushō, toen wilde ik ook nog niet terug. Het was net leuk aan het worden. Ik had inmiddels heel veel nieuwe vrienden. De situatie in België was economisch gezien nauwelijks veranderd, dus ik zocht naar mogelijkheden om in Japan te blijven. Toen ben ik vrij toevallig terecht gekomen bij een filmproductiemaatschappij die op zoek was naar iemand die Japans sprak, Engels sprak en in film geïnteresseerd was. Ik had helemaal geen achtergrond in filmproductie, maar dat hoefde ook niet. Ik fungeerde zo’n beetje als de verbindingsfiguur, ze wilden namelijk internationale coproducties maken en mijn rol was het verbinden van Japan met coproductiepartners in de rest van de wereld. Ook dat was een speeltuin.’

Voor jou was het dus geen “Lost in Translation”.

‘Ja inderdaad, maar dat soort films was er natuurlijk de hele tijd en daar bemiddelde ik bij. De Hollywoodster komt naar Japan, naar Tokyo, enzovoort. Mijn Japanse baas wilde iets anders doen, eigenlijk films maken waarbij ook de Japanse personages volledig uitgewerkt waren en op gelijke voet stonden met de Hollywood-acteurs of de buitenlandse acteurs. Dat bleek heel moeilijk, dus de meeste van die projecten zijn nooit gerealiseerd.’

Maar er waren dus wel veel westerse acteurs in Japan, in die producties. Kon je dan spreken van een oriëntalistische benadering?

‘Japan werd eigenlijk voornamelijk als exotische achtergrond gebruikt voor het westerse verhaal. Dat was eigenlijk altijd min of meer altijd de insteek van alle scenario’s of alle voorstellen die we kregen.’

Schrijfster Sayaka Murata heeft in Japan prestigieuze literaire prijzen gewonnen. Hoe is het zo gekomen dat jij haar werk mocht vertalen? Hoe kreeg je contact met een Japans literair agentschap?

‘Meestal is het zo dat een uitgeverij een vertaler zoekt, en niet omgekeerd. Veel mensen denken dat een vertaler een boek kiest en dat dan aanbiedt aan een uitgeverij. Dat gebeurt ook wel, maar in de meeste gevallen is het omgekeerd. Uitgeverijen gaan op zoek naar boeken waar ze iets in zien en meestal gaat dat dan, in het geval van Japanse literatuur, via vertalingen in het Engels. Dus ze gaan naar boekenbeurzen en zien en vinden daar kanshebbers. En dan zoeken ze een vertaler voor dat boek. In het geval van Sayaka Murata? Die kende ik natuurlijk al, en dat was één van de hedendaagse auteurs die ik zelf echt wel wilde vertalen omdat ik haar werk interessant vind. Ik volg uiteraard wat er gebeurt op het gebied van Japanse literatuur. En ik heb een aantal auteurs van wie ik denk, ja, die zou ik wel willen doen. Soms stuur ik berichten naar uitgeverijen waar ik al mee gewerkt heb: dit boek is de moeite waard, of hier zouden jullie eens naar moeten kijken.

‘Toen Aardbewoners vertaald moest/mocht worden, kende de uitgever Nijgh & van Ditmar mij nog van vroeger. Ze hadden nog geen Japanse literatuur in hun fonds, maar ze hadden al wel eens een boek van de Vlaamse auteur Paul Mennes uitgegeven; Het konijn op de maan, en dat speelt zich af in Japan. Bij de presentatie van dat boek heb ik een lezing gehouden. Ze zijn zo bij mij terecht gekomen voor Buurtsupermens, het vorige boek van Murata dat naar het Nederlands is vertaald. Vervolgens mocht ik ook Aardbewoners vertalen. Overigens, als je met een levende auteur te maken hebt, kun je daar contact mee opnemen. Dat verloopt in de meeste gevallen via de uitgever in Japan en de literaire agent. Je stuurt dan vragen door. Je moet wel opletten wannéér je de auteur contacteert. Je dient niet te vroeg allerlei vragen gaan stellen aan een auteur waarmee je de indruk zou kunnen wekken dat je niet zo’n geweldige vertaler bent. Je leest een boek, je vertaalt het, en stuit op een aantal problemen. Maar die problemen probeer je zelf eerst zelf op te lossen via allerlei opzoekwerk of je vraagt dingen aan een moedertaalspreker. Pas als al die mogelijkheden zijn uitgeput, ga je met onzekerheden en twijfels bij de auteur te rade. Dat is de allerlaatste fase. Dan wek je ook de indruk dat je heel grondig alles wil weten. Ik heb dit ook bij Murata gedaan, een lijstje met vragen doorgestuurd waar zij heel erg snel en vriendelijk en uitvoerig op heeft geantwoord.’

Waarom heb je dat schriftelijk gedaan?

‘Bij Murata is het inderdaad schriftelijk gebeurd, omdat ik vanwege Corona niet naar Japan mocht. Dankzij de ‘omotenashi’ van de Japanse overheid. Maar andere auteurs zoals bijvoorbeeld Oë of Hiromi Kawakami heb ik in levende lijve ontmoet en vragen over de vertaling kunnen stellen, omdat ik meestal eens per jaar naar Japan ga. Bij Kawakami bijvoorbeeld, over De tas van de leraar en nog een paar andere boeken die ik van haar heb vertaald, was dat heel aangenaam. Dus we zijn samen gaan lunchen en hebben uitgebreid over van alles en nog wat gepraat. De schrijfsters Yoko Ogawa en Tomoka Shibasaki heb ik dan weer via Zoom gesproken.’

Hoe ontstaat er vervolgens een klik met het werk?

‘Wat mij vooral interesseert zijn boeken die de vinger aan de pols houden bij wat er in de Japanse samenleving op dat moment aan de gang is. Ik heb al opdrachten geweigerd of doorgespeeld aan collega’s, precies omdat ik vind dat het niet echt iets toevoegt aan mijn kijk op Japan, of inzicht biedt in bepaalde maatschappelijke verschijnselen. Maar bij Murata is het vrij duidelijk dat zij toch een hele bijzondere kijk heeft. Hoewel haar kijk zelf misschien niet zo bijzonder is, maar veeleer de manier waarop ze die omzet in literatuur. Ze voert personages op die niet per se de typische protagonisten zijn, om het op z’n zachts uit te drukken. Ik vond het heel boeiend om te zien hoe zij zo op het eerste gezicht onaantrekkelijke of zelfs rare mensen zo weet voor te stellen alsof ze eigenlijk toch niet zo raar zijn en op hun eigen manier wel een logische manier van denken hebben en zo in het leven staan. En dat werkt dan voor hen. En wie zijn wij dan om te zeggen dat het fout is? Dat vond ik een heel interessante aanpak.’

Murata heeft met Aardbewoners wel een hele wereld geschapen.

‘Het gaat natuurlijk wel een stap verder dan Buurtsupermens. Het begint wel met een soortgelijk personage, in de zin dat zij zich niet goed voelt bij de algemene maatschappelijke verwachtingen naar een vrouw toe. Maar de manier waarop ze er uiteindelijk mee om gaat, is in Aardbewoners een pak extremer dan in Buurtsupermens. Zodanig zelfs dat ik denk dat een hoop recensenten niet zullen weten wat ze aan moeten met het boek.’

Is het einde in het origineel ook zo plastisch geschreven als dat jij het vertaald hebt?

‘Dat is wel mijn bedoeling, om het register waarin de auteur schrijft zoveel mogelijk te respecteren. Als het in mijn vertaling een bepaalde indruk wekt, dan zou het normaal gesproken ook als ik mijn taak goed heb vervuld ook in het Japans datzelfde effect moeten hebben op de lezers.’

Schrijft Murata in een bepaald dialect? Of is het standaard Japans?

‘Normaal gesproken is het bijna onhoudbaar om binnen je vertaling consequent dialect te gebruiken. Dat is natuurlijk een grote discussie binnen de wereld van de vertaalwetenschappen, maar bij dit boek van Murata komen er bijvoorbeeld wel een paar dingen aan bod die met het lokale dialect van Nagano te maken hebben. Maar in het Japans is het voornamelijk hyōjungo, de standaardtaal. Maar nu ben ik bijvoorbeeld met een boek bezig van Yoko Ogawa, en daarin zijn er wel personages die de hele tijd Kansai-ben (dialect van de Kansai-regio) spreken. Maar je kunt dit niet zomaar omzetten in een Nederlands dialect, omdat je dat niet vol kunt houden. Dat wordt erg storend voor de lezer. De meeste vertalers beperken zich toch tot het aangeven dat een personage dialect spreekt, de eerste keer dat diegene iets zegt. Bijvoorbeeld: “…zei ze, in het dialect van Osaka.” Maar je laat haar wel in je vertaling standaard Nederland praten. Je zou mensen die dialect spreken wel Vlaams kunnen laten praten, maar wat is Vlaams? Het Vlaams bestaat niet, dan zou ik moeten kiezen tussen Antwerps of Gents of wat dan ook. Je kunt dat ook niet schrijven, er zijn geen spellingregels voor of zo. Dat werkt helemaal niet.’

Maar misschien dat er tussen verschillende sociale milieus verschillende manieren van zeggen bestaan?

‘Dan zit je natuurlijk niet in dialecten maar in registers, taalregisters, omdat dit woorden zijn die in het woordenboek staan en een spelling hebben die mensen ook herkennen. Dat kan wel werken. Maar zelfs dan moet je enorm opletten: ik kan bijvoorbeeld wel een hippe tiener opvoeren, maar dan moet je er wel voor zorgen dat een echte hippe tiener van die leeftijd het controleert. Anders ga je de mist in.’

Er is natuurlijk ook verschil tussen woorden die Nederlanders en Vlamingen gebruiken

‘Dat is natuurlijk onvermijdelijk. Ik werk inmiddels al twintig jaar voor Nederlandse uitgeverijen, dus ik weet wel zo’n beetje wat de verschillen zijn en wat ik in Nederland niet mag gebruiken. Want men verwacht wel dat ik me aan het Nederlands van Nederland aanpas. Daar is wel eens wat discussie over met de redactie, dat ze vinden dat iets te Vlaams is. Omgekeerd mag het ook nooit te Hollands worden. Er zijn immers bepaalde woorden die ze in Vlaanderen helemaal niet begrijpen, of die in Vlaanderen een heel anders gebruikt worden. ‘Serre’ betekent bijvoorbeeld broeikas in België terwijl het in Nederland een glazen veranda is. Je moet het dan vervangen door een woord dat zowel in Nederland als in België begrijpelijk is. Er zijn mogelijkheden voor. Dat probleem wordt vaak wel overdreven. In Nederland zijn er bijvoorbeeld mensen op sommige redacties die in paniek raken als een Vlaming iets vertaalt, omdat ze denken dat het zo verder af staat van het Nederlands dan het Afrikaans. Maar het is nu ook weer niet zo verschillend. Ik heb een lijstje van dingen die je hoort te gebruiken en als ik dat hanteer, valt het best wel mee.’

Terug naar de thematiek van Aardbewoners, die is natuurlijk erg actueel. Dat mensen minder vaak kinderen willen. Japan heeft last van de koureika, het verouderen van de bevolking. Is het misschien ook wel een pessimistische roman te noemen?

‘Ik heb een paar interviews, Zoom-evenementen gezien met Sayaka Murata, rond de tijd dat ik het boek vertaalde. Zij zelf vindt dit allemaal niet zo raar. Zij is ook iemand die heel lang in een Konbini heeft gewerkt en heeft ook toegegeven dat bepaalde elementen uit aardbewoners gebaseerd zijn op hoe ze zelf dacht als kind. Kom ik eigenlijk van een andere planeet of is er een bepaalde wereld waar mensen naar toe kunnen vluchten als het in deze moeilijk is? Dat zijn allemaal fantasieën of gedachten uit haar eigen kindertijd, geeft ze wel toe. Dus voor haar is dat veel minder ver gezocht dan voor heel wat lezers. En het is ook dat de personages geen negatieve kijk erop hebben hoe zij om gaan met de situatie. Ik denk niet dat zij bewust zegt, “ik ga een pessimistisch boek schrijven”, misschien zelfs integendeel.’

In Nederland en ook in Vlaanderen speelt de MeToo-discussie. Heeft Murata misschien ook geprobeerd om seksueel grensoverschrijdend gedrag in Japan aan te kaarten? De hoofdpersoon wordt door haar schoolmeester aangerand. Of is Aardbewoners toch meer een kritiek op druk in de Japanse maatschappij om de vaste patronen te volgen en dan in het bijzonder de verplichting voor vrouwen om kinderen te baren?

‘Ik denk eerder dat laatste. Mijn indruk bij de meeste auteurs van haar generatie, bijvoorbeeld Hiromi Kawakami en Tomoka Shibasaki is dat het zich eerder op persoonlijk vlak afspeelt en geen brede maatschappelijke boodschap wil brengen. Het gaat over personages die niet meteen symbool staan voor de hele samenleving. Het zijn persoonlijke verhalen. Als je bijvoorbeeld kijkt naar Mieko Kawakami, met haar boek Borsten en Eitjes, of naar Yu Miri, van wie binnenkort ook een Nederlandse vertaling verschijnt, die denken nog iets breder. Die willen nog wel door middel van één verhaal een breder maatschappelijk probleem aankaarten. Maar ik denk dat het bij Murata persoonlijker is. Ik denk niet dat zij op de barricades wil gaan staan en dingen aanklagen. Het is meer in een traditie van schrijvers uit de tijd van de Shishōsetsu (ik-roman) die in hun eigen wereldje leefden en over hun eigen wereldje schreven. Overigens, het boek van Yu Miri dat binnenkort in het Nederlands verschijnt, dat gaat over daklozenproblematiek. Terwijl Miri, dat weet ik wel zeker, nooit dakloos is geweest. Zij ziet een sociaal probleem en schrijft daarover. Terwijl, bij mensen als Murata is het eerder dat zij vanuit hun eigen denkwereld en eigen leefwereld inspiratie krijgen het boek, niet door wat ze om zich heen zien.’

Gaat het dan wel over Murata’s eigen onvermogen om mee te doen in de maatschappij en te voldoen aan de standaard van kinderen krijgen?

‘Ja, dat denk ik wel. Ze neemt bijvoorbeeld wel deel aan panelgesprekken, maar ik denk niet dat zij op feestjes heel sociaal met iedereen in gesprek gaat. Ook het hoofdpersonage in Aardbewoners leeft volgens haar eigen logica. Wat zij denkt en zegt en doet, vindt zij eigenlijk vanzelfsprekend en wat de rest van de wereld daarvan vindt, dat kan haar gestolen worden. In die zin is de hoofdpersoon wel vergelijkbaar met die in buurtsupermens en met de auteur zelf. Maar ik denk niet dat Murata expliciet de positie van de vrouw in Japan wil verbeteren. Ik denk dat zij er gewoon voor pleit, kijk als ik nu zo wil leven laat me dan met rust. Niemand heeft daar toch last van. Dat is volgens mij wat ze wil overbrengen. En wat andere mensen doen, dat moeten andere mensen maar uitzoeken, maar als ik dit nu graag doe en vooral als ik dit niet wil doen, wat is dan het probleem. Dat wil ze eigenlijk aanklagen. Tegen de sociale druk van familie, van wat de maatschappij van je verwacht, als deel van de groep. Maar het is niet zo dat zij zegt, iedereen moet maar doen wat mijn personage zegt, het gaat over één individueel geval.’

Hoe lang ben je met de vertaling bezig geweest?

‘Het is een boek van gemiddelde lengte, 200 à 250 pagina’s, dan toch een vijftal maanden en dan bedoel ik vrijwel dagelijks. Doorgaans concentreer ik me vooral in de ochtend. Vanaf een uur of half negen tot de middag ongeveer werk ik heel geconcentreerd en voor het overige in een bepaalde fase ga ik dan dingen eens printen en in een andere omgeving herlezen om nog eens betere ideeën te krijgen en zo. Gedurende een maand of vijf ben ik daar wel dagelijks mee bezig. Dan gaat een eerste concept naar de uitgever en zijn er tal van correctierondes. Of komen er suggesties van de redactie en de drukkerij die wel of niet gehonoreerd moeten worden. Dus dat is heel intensief. Dat vergt ook wel de nodige discipline natuurlijk.’

En heb je dit dan ook helemaal alleen moeten doen? Of heb je met iemand samengewerkt, zoals bij De moord op Commendatore van Haruki Murakami, wat je in samenwerking met Elbrich Fennema hebt vertaald.

‘Dat heb ik één keer gedaan, min of meer toen ik door de uitgever verplicht werd onder tijdsdruk. Toen het boek van Murakami uitkwam in Japan, kreeg ik nog diezelfde dag een mail van de redactie van Atlas Contact, om te vragen of ik een maand of vijf tijd had om iets te vertalen en ik had intussen ook wel begrepen dat het om twee kanjers van meer dan vijfhonderd pagina’s ging. Ik antwoordde toen dat het in plaats van vijf maanden voor mijn gevoel eerder twee jaar zou gaan duren. Maar de redactie stelde dat ze al een feestje hadden geregeld naar aanleiding van de verjaardag van Murakami op een cruiseschip in Rotterdam, om daar een Murakami-weekend van te maken, dus tegen die tijd moest het boek klaar zijn. Dat was een deadline van tien maanden. Toen heb ik voorgesteld om het met z’n tweeën te doen. Niet dat het overigens betekent dat het in dat geval maar half zo lang duurt. Het mag immers niet opvallen dat we het met z’n tweeën gedaan hebben. Toen hebben we echt wel weekends en vakanties doorgewerkt, we zijn er bijna aan onderdoor gegaan moet ik zeggen. Dat was eigenlijk eenmalig. Ik vind het prettig om dit werk helemaal alleen te doen. Ik heb wel geleerd van de samenwerking met Elbrich. Wanneer ik feedback of suggesties krijg van de redactie, kunnen zij zich natuurlijk alleen baseren op mijn Nederlandse tekst en eventueel op een bestaande vertaling in het Engels, maar ik verbied hen eigenlijk om een Engelse vertaling als referentie te nemen omdat die vaak echt van bedenkelijke kwaliteit is en omdat die veel te veel ingrijpt in de brontekst, dingen weglaat of juist toevoegt. Tijdens de samenwerking met Elbrich, lazen we elkaars concepten en begrepen we als collega’s natuurlijk wel hoe je tot beslissingen komt. Onze feedback naar elkaar kon soms zelfs wel eens ergerlijk zijn, maar dat respecteren we zeker vanuit het vakmanschap. Het was een interessant experiment om eens te doen. Gelukkig hebben Elbrich en ik eenzelfde kijk op hoe Murakami hoort te klinken in het Nederlands, vooral zijn humor en zo. Maar in principe vind ik het prettiger om het alleen te doen, om alleen in mijn kamer na te denken over de tekst.’

Op de universiteit hadden wij ook tekstcolleges en het voorbereiden deed ik het liefst helemaal alleen, omdat je eerst in je eigen woorden wil vertalen. Zo deed ik dat bijvoorbeeld ook al bij Latijn op de middelbare school.

‘Je weet, het Latijn is natuurlijk een hele andere taal en daarin kun je op een hele analytische manier de betekenis achterhalen door de grammaticale regels toe te passen. Het is bijna wiskunde om het dan wat overdreven uit de drukken, zodat wanneer je goed de zin grammaticaal analyseert, je bij de correcte oplossing uitkomt. En bij het Japans is dat natuurlijk helemaal anders. Het Japans is zoveel vager en is helemaal vatbaar voor interpretatie. In die zin heb je meer vrijheid, maar ook veel meer verantwoordelijkheid als je Japans vertaalt.’

Je maakt het liefst zo min mogelijk gebruik van Engelse vertalingen, maar gebruik je dan bijvoorbeeld Franse of Duitse vertalingen?

‘De ervaring heeft me geleerd dat te vroeg andere vertalingen raadplegen een slechte invloed heeft. Omdat zelfs als je het niet bewust doet, het in je achterhoofd blijft hangen. Ik heb me zelf daar vroeger op betrapt, toen ik nog redelijk snel ging kijken wat er in een vertaling stond. Soms vraag ik me in een latere fase dan af waarom ik eerder iets op een bepaalde manier in het Nederlands heb vertaald, en dan blijkt dat ik me onbewust heb laten beïnvloeden door een andere vertaling. Ik probeer dat nu zo lang mogelijk uit te stellen, totdat ik mijn eigen visie gevormd heb, mijn eigen kijk, mijn eigen interpretatie, mijn eigen tekst. En pas dan wil ik nog wel eens kijken hoe iemand anders het gedaan heeft. Soms om mijn eigen tekst aan te passen maar ook uit nieuwsgierigheid. Want ik geef ook workshops en doceer aan de universiteit van Gent, literair vertalen. Soms is het dan leuk om te vergelijken tussen het Frans, het Engels en mijn eigen Nederlandse vertaling. ‘

Er wordt wel eens gezegd dat vertaalde literatuur de persoonlijke achtergrond van de vertaler in zich draagt. Ben je het daar mee eens?

‘Persoonlijke achtergrond heeft er volgens mij weinig mee te maken, het gaat erom dat jij je net als een acteur inleeft in de stem van de auteur en de personages. Japan is al 40 jaar onderdeel van mijn leven, dus ik heb weinig moeite meer om me erin te verplaatsen.’

Heel hartelijk bedankt voor het interview, Luk!

Aardbewoners is momenteel het meest recente werk dat door Luk van Haute werd vertaald. De bibliografie hieronder laat een indrukwekkende reeks zien van door hem ontsloten Japanse romans en verhalen. Dankzij Luk krijgen we een krachtig en leesbaar beeld van de Japanse samenleving en kunnen we meegenieten van het werk van een groot aantal van haar prominente moderne auteurs.

Japan: Schetsen uit het leven

Het vertaalwerk was voor Luk ook de directe aanleiding om de eigen gedachten over Japan te bundelen. Weg van de veralgemeningen en voorbij de clichés, schetst Luk in 2019 een beeld van de Japanse samenleving, die veel diverser is dan sommigen willen doen geloven. Aan de hand van ruim 30 jaar persoonlijke ontmoetingen, ervaringen en belevenissen laat hij zijn licht schijnen over hoe Japanners omgaan met buitenlanders, met de buurlanden, met minderheden, met het oorlogsverleden, met de rol van de keizer, met uitstekende spijkers. Heen en terug in de tijd neemt Van Haute ons mee van het barre noorden naar het tropische zuiden, van de metropool naar de gebieden getroffen door aardbevingen en tsunami’s, van de universiteit naar de legerbasis, van de subculturen naar de sumo-ring, van de daklozen naar de superrijken.

Bibliografie

  • 1995 Seventeen & Homo Sexualis (Vertaling van de roman van Kenzaburo Oë).
  • 1996 Two Novels Seventeen, J (Engelse vertaling van de roman van Kenzaburo Oë).
  • 2002 Revival van de Japanse film (Luk van Haute over de heropleving van de Japanse cinema sinds de jaren negentig)
  • 2005 Schoonheid en verdriet (vertaling van de roman van Yasunari Kawabata)
  • 2008 Dans, dans, dans (vertaling van de roman van Haruki Murakam
  • 2009 De tas van de leraar (vertaling van de roman van Hiromi Kawakami)
  • 2010 Waarover ik praat als ik over hardlopen praat (essay over hardlopen van Haruki Murakami)
  • 2011 Nakano’s handel in oude rommel (vertaling van de roman van Hiromi Kawakami)
  • 2011 Geef de moed niet op (gedichtenbundel van Toyo Shibata)
  • 2012 Manazuru (vertaling van de roman van Hiromi Kawakami)
  • 2012 De fatale toewijding van verdachte X (vertaling van de thriller van Keigo Higashino)
  • 2012 Kangoeroecorrespondentie (verhalenbundel van Haruki Murakami, met door Luk van Haute vertaald verhaal)
  • 2012 Honderd Jaar (gedichtenbundel van Toyo Shibata)
  • 2013 Redding van een heilige (vertaling van de thriller van Keigo Higashino)
  • 2014 Liefdesdood in Kamara en andere Japanse verhalen (samengesteld en vertaald door Luk van Haute) Bekroond met de Filter-vertaalprijs 2015
  • 2014 Kokoro: de wegen van het hart (vertaling van de roman van Natsume Sōseki)
  • 2014 Afrekening in midzomer (vertaling van de thriller van Keigo Higashino)
  • 2015 De kat (vertaling van de roman van Takashi Hiraide)
  • 2015 Ik ben een kat – deel 1 (vertaling van de roman van Natsume Sōseki)
  • 2017 De moord op commendatore – deel 1 (vertaling van de roman van Haruki Murakami)
  • 2018 De moord op commendatore – deel 2 (vertaling van de roman van Haruki Murakami)
  • 2019 De moord op commendatore – deel 1 & 2 (vertaling van de roman van Haruki Murakami)
  • 2019 Romanschrijver van beroep (vertaling van verzameling essays Haruki Murakami)
  • 2019 Japan: Schetsen uit het leven (beelden van Japan aan de hand van ruim dertig jaar persoonlijke ontmoetingen, ervaringen en belevenissen, geschetst door Luk van Haute zelf)
  • 2019 Buurtsupermens (Vertaling van de roman van Sayaka Murata)
  • 2019 Als katten van de wereld verdwijnen (Vertaling van de roman van Genki Kawamura)
  • 2019 De laatste kinderen van Tokyo. (vertaling van de roman van Yōko Tawada)
  • 2020 De poort (vertaling van de roman van Natsume Sōseki)
  • 2020 De derde nacht (vertaling van het verhaal van Natsume Sōseki, gepubliceerd in de bundel Grenzeloos Samen sterke verhalen vertellen)
  • 2020 Lentetuin (Vertaling van de roman van Tomoka Shibazaki)
  • 2021 De geheugenpolitie (Vertaling van de roman van Yoko Ogawa)
  • 2021 Seventeen (met het ‘verboden’ tweede deel & Homo Sexualis (Vertaling van de roman van Kenzaburo Oë).
  • 2021 Aardbewoners (Vertaling van de roman van Sayaka Murata)

Meer informatie

www.lukvanhaute.com


Print Friendly, PDF & Email

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.