Of we een kop koffie lustten. Daar hadden we wel oren naar. Het was een gure dag in januari in Tokyo. Daar gingen we dus, denkend aan een snelle kop koffie, en weer door. Maar we kregen iets heel anders.
Door de alomtegenwoordigheid van een zekere Amerikaanse keten zou je het bijna vergeten, maar er was ook een tijd vóór de Venti Frappuccino. Niets ten nadele daarvan, overigens – elk land zijn eigen koffiecultuur, en ook in Japan is Starbucks ruim beschikbaar. Gelukkig maar, want de lentespecial van 2018, frozen macha met aardbeien, woont permanent in ons hoofd.
Maar van zulke frivoliteiten niets bij ‘Café Renoir’, middenin de drukke wijk Ikebukuro. We stapten de drempel over, en bevonden ons opeens in een oase van rust. Het ruim opgezette café was Frans aangekleed, of in elk geval als een Japanse interpretatie daarvan: veel donkergebeitsde lambrisering, wit pleisterwerk, chesterfield-stoelen en -banken, en uit de speakers klonk zacht en aangenaam klassiek. Er was geen toonbank om aan te bestellen; de in uniform met wit schort gestoken medewerkers namen onze bestelling aan de tafel op, en brachten deze daar later ook, samen met een oshibori, warm vochtig handdoekje, om de handen op te frissen. We waren per slot van rekening wel in Japan. En, ook opvallend: veel mensen genoten hun koffie alleen, maar van laptops, tablets of bellende mensen geen sprake: het bruinzwarte goud was hier the main event, smaak en service tot in de perfectie uitgevoerd. Het leek alsof er al eeuwen door experts aan die totaalervaring wordt geslepen – en niet pas sinds de jaren ’50.



Het mocht even duren
Koffie had Japan wel al veel eerder bereikt, want Portugese en Nederlandse handelaren introduceerden de koffieboon omstreeks 1700. Vooral voor eigen gebruik, trouwens. Uit de overlevering wordt niet duidelijk of veel Japanners zich er destijds aan hebben gewaagd, maar handel zal er niet in hebben gezeten (want anders hadden de Nederlanders die wel gedreven).
Het duurde nog meer dan 150 jaar voor koffie opnieuw onder Japans publiek opdook. Het moment waarop is logisch: Japan moderniseerde na 1868 razendsnel, en greep westerse gebruiken met beide handen aan. Van spoorwegen en waterwerken, tot epauletten en rokkostuums. Koffie, echter, wilde maar niet aanslaan. Op 13 april 1888 opende in Ueno, Tokyo, het eerste koffiehuis naar Europees voorbeeld, maar opnieuw wist de bittere drank de harten van Japanners niet te veroveren. Na 5 jaar sloot het café de deuren wegens gebrek aan klandizie.
‘De vader van koffie in Japan’
In de jaren 1930 besloot Tadao Ueshima een nieuwe poging te wagen in Kobe. In de ruim 40 tussenliggende jaren waren Japanners meer gewend geraakt aan buitenlandse smaken. Zeker in havenstad Kobe, waar Ueshima al succesvol handel dreef in buitenlandse etenswaren als boter en jam. Normaliter is driemaal scheepsrecht, maar niet in het geval van koffie: de nationalistische regering in Tokyo stak er al snel een stokje voor. Alle westerse invloeden moesten worden uitgebannen. Dat gold óók voor koffie.
De afloop van de Tweede Wereldoorlog is bekend, Japan moest zichzelf oprichten en heruitvinden. Het land omarmde in de jaren ’50 opnieuw veel dat uit het westen kwam. Ueshima was in de tussenliggende jaren niet van zijn koffiegeloof gevallen, en wist zijn obsessie met de ‘mysterieuze drank’ nu wel te gelde te maken. Dat de overheid niet meer in de weg lag, hielp, maar de opkomst van een nieuwe Japanse middenklasse evenzeer. Dit waren gezinnen met besteedbaar inkomen, en een koffiezetapparaat thuis was als een hifi-audioset: een manier om je goede smaak te etaleren.
Koffie voor onderweg

Ueshima’s meesterzet moest toen echter nog volgen. De toch al grote steden als Tokyo en Osaka werden nog grotere agglomeraties, steeds meer Japanners forensten naar kantoren, de reistijd tussen werk en thuis nam toe. Voor steeds meer Japanners werd de kop koffie, al dan niet met de ochtendkrant aan de eigen eettafel, een utopie. Ueshima Coffee Company (UCC) speelde daar in 1969 op in met een wereldprimeur: koude koffie met melk uit een blikje. Niet helemaal dezelfde ervaring, maar omdat gemak nu eenmaal de mens dient sloeg de vinding wel aan.
Het zette andere Japanse koffieproducenten aan het denken. Pokka Coffee, uit Hokkaido, bracht in 1973 samen met Sankyo Electric een drankautomaat uit met – jawel – gekoelde én warme koffie uit blik. Tot op de dag van vandaag blijft dat een bijzondere ervaring: koffie die voortdurend wordt verwarmd in een automaat, maar toch niet opgekookt smaakt.
In slechts enkele tientallen jaren raakte Japan compleet verslingerd aan koffie. Men drinkt het thuis, op het werk, onderweg uit blik, maar óók buiten de deur. Ketens als Tully’s (Amerikaans) en Doutor (Japans) zijn in het Japanse straatbeeld net zo onmisbaar als konbini, en bieden een ervaring vergelijkbaar met Starbucks. Wie echter op zoek is naar een iets avontuurlijkere kop, doet er goed aan een kissaten te zoeken.
Ketens en kissaten
Kissaten, letterlijk ’theedrinkwinkels’, kwamen tegelijk met koffie in de jaren ’50 en ’60 op. De populairste zijn juist die waar de tijd stil lijkt te hebben gestaan. Je treft er veel klandizie met nostalgische gevoelens voor de Showa-periode (1926-1989). Vaak omdat ze die zelf hebben meegemaakt, soms juist omdat ze vele jaren erna zijn geboren en die tijd hebben gemist.
Deze kissaten worden dikwijls gerund door bijzondere uitbaters. Eén mooi voorbeeld is te zien bij Life Where I’m From, waarin de eigenaar of ‘masutaa’ (master) erop toeziet dat klanten zich goed gedragen in zijn koffiezaak. Je ongevraagd mengen in gesprekken van anderen, is uit den boze. Wie zich daaraan niet wenst te houden, wordt beleefd maar beslist gevraagd te vertrekken. En waar we in Nederland een koffiecafé eerder associeren met koekjes, muffins, taart en andere zoete snacks, ontbreekt het in kissaten aan dat soort spelregels: hartig is zeer zeker onderdeel van het menu, en in de meeste kan je een bord pasta naast je kop koffie krijgen. Erfgoed om trots op te zijn, vindt ook de jongere generatie: Tokyo Weekender maakte een mooi portret van Sabor in Jinbocho in Tokyo.
Japan koffieland
Zoals met wel meer gebeurt dat uit het westen komt, gaf Japan ook aan koffie een eigen draai. Veel huis-tuin-en-keuken-drinkers (zoals ook ondergetekende) zegt het niet direct iets, maar zonder Japanse liefhebbers hadden koffiesnobs wereldwijd het zonder Hario V60 Pour-Over moeten stellen. En ook sifon-bereiding werd door Japanse shokunin fors verbeterd.
Japan werd in nauwelijks 80 jaar een serieus koffieland: met een jaarlijkse import van meer dan 400 miljoen kilo koffiebonen weet Japan enkel de VS en Duitsland voor zich. Elk jaar op 13 april eert het land zijn koffiecultuur met Kissaten no Hi (‘de dag van de Kissaten’). Het is geen officiële vrije dag, maar kissaten in het hele land staan met speciale menu’s en koffie-roasts stil bij de opening van dat eerste koffiecafé, 138 jaar geleden.
20 april 2026

