Een geschiedenis van de Japanse Mandala (deel 2)

Nara kennen we van de wereldberoemde Todai-ji tempel en de Kasuga-taisha schrijn. En van de hertjes. De beide naast elkaar gelegen tempelcomplexen in het omliggende bos zijn niet alleen geregistreerd op de werelderfgoedlijst van Unesco, de laatste vormt ook de inspiratiebron voor de Kasuga-mandala. Eerder schreef ik hoe de Indiase mandala, via China de Japanse eilanden bereikte en omgevormd werd tot een stijlmiddel om het westelijke paradijs van de Boeddha Amida weer te geven, de hensōzu. Hoewel deze verhalende plaatjes als echte mandala kunnen worden beschouwd, ontstond in gedaante van de Kasuga-mandala pas een echte Japan-eigen versie.

De term mandala is inmiddels ook in het westen behoorlijk breed ingeburgerd. We bewonderen ze in musea. Maar het zijn vooral de kleurboeken met cirkelvormige diagrammen die door een toenemend publiek worden omarmd om een poos van de wereld te zijn, terug te komen bij jezelf of aan even niets te hoeven denken. De abstracte cirkels of bloempatronen vervullen al kleurend en mijmerend een zelfde rol als die van een legpuzzel. Ze passen perfect in de gereedschapskist van mindfulness. Oorspronkelijk waren ze daar niet voor bedoeld. De boeddhistische mandala is een geheugensteun voor wie alles over een godheid, Boeddha of bodhisattva wil leren. Alle gedaantes, serene en boosaardige, worden in een schema afgebeeld. De functie van de mandala werd in een eerder artikel beschreven.

De vorm van de traditionele mandala is nagenoeg altijd opgebouwd uit cirkels en ronde vormen. Vanuit het midden, de zetel van de belangrijkste af te beelden persoon, worden in volkomen symmetrie andere beelden in ringen toegevoegd. Links een drietal? Dan rechts ook. Elke serene gedaante heeft een minder vrolijke tegenhanger. Elke Yin een Yang. Rustig voor het oog, prima aanschouwelijk en een geheugensteun voor hen die ervan moeten leren. Een geslaagd leerobject.

Mja, moeten ze in Japan gedacht hebben, toen ze het leren wel onder de knie hadden. Het is wat statisch. Het is wat veel. Het verhoudt zich niet tot de werkelijke wereld die immers niet symmetrisch is, niet tot de natuur van wabi-sabi. En de traditionele omlijsting door middel van Tibetaanse gestileerde wolken en heftig hooggebergte zorgen voor distantie. Dat kan anders.

Kasuga-mandala

Er ging dan ook gesleuteld worden aan het geïmporteerd origineel. De afbeeldingen werden minder gecompliceerd en er werd niet langer gepoogd om alles af te beelden binnen één schema. Beter één ding werkelijk geleerd, dan een lijst alleen maar geïnternaliseerd. De mandala werden verhalend, kregen een context. Hensōzu (letterlijk verhalend plaatje) ontstonden op de basis van de mandala en werden in de tempels gebruikt om de bezoekers gericht te onderwijzen. Kasuga-mandala’s zijn tempelmandala’s die ontstonden rond de Kasuga-taisha in Nara. Onmiddellijk valt op dat de Kasuga-mandala’s de symmetrie van het Chinese en eerdere Indiase voorbeeld achter zich laten. Zo voegen de Japanners vaak bewust een extra boddhisattva of Boeddha toe aan de mandala om de symmetrie te verbreken. Ook zijn in de Kasuga-mandala de bovennatuurlijke Chinese en Indiase paleizen in de lucht of op de berg vervangen door afbeeldingen van echt bestaande Japanse plaatsen, en in het geval van specifiek de Kasuga-taisha mandala’s wordt het object gedragen door – uiteraard – een hert.

Japanse mandala
Mandala of the Deer of Kasuga Shrine, Muromachi period, 1500s AD, color on silk – Ishikawa Prefectural Museum of Traditional Arts and Crafts – Kanazawa, Japan

Het afbeelden van bestaande Japanse tempels en heilige plekken in tempelmandala’s (Miya mandala’s) fungeert ten eerste als hulpmiddel voor het uitvoeren van religieuze handelingen voor mensen die op grote afstand wonen van de desbetreffende tempel. Voor deze gelovigen is de mandala een kaart die naar de echte locatie verwijst. Het tweede doel van de tempelmandala is om de noodzaak van verering aan de leek duidelijk te maken. De afgebeelde Kasuga-taisha schrijn ligt aan de voet van de berg Mikasa die de in esoterisch boeddhistische mythologie veel voorkomende berg Sumeru symboliseert. Verlichting kan bereikt worden als men deze bestijgt. Een andere aansporing voor aanbidding is het neerdalen van de kosmische Boeddha Dainichi in de gedaante van de kami Daimyōjin. Daimyōjin is een belangrijke kami van de Kasuga schrijn.

De Kasuga-mandala die hier is afgebeeld, laat zien dat niet langer alleen de Boeddha en bodhisattva’s worden afgebeeld, het hert draagt hier de kami Daimyōjin, die in Shintō als lege spiegel wordt weergegeven.

Ook valt op dat de oorspronkelijke vierkante omlijsting van de mandala is losgelaten ten gunste van de staande rechthoek. Of liever gezegd, de hangende scroll, kakejiku en kakemono. Zowel praktische als esthetische inzichten liggen hieraan ten grondslag.

Het omvormen van Dainichi tot Daimyōjin (en daarmee van tempelmandala naar kami-mandala) is een Japan-eigen toevoeging aan de oorspronkelijke mandala. Middels het principe van honji suijaku, de tijdelijke manifestatie van een Boeddha, zijn de eigen kami uit het Shintō gefuseerd met de boeddhistische godheden die vanaf het vasteland Japan binnenkwamen. Men gaat ervan uit dat een kami een gelokaliseerde, tijdelijke manifestatie is van een Boeddha of boddhisattva. Honji Suijaku speelt derhalve een grote rol in de transformatie van de continentale mandala in de Japanse mandala. Om aan te geven welke kami bij welke Boeddha of boddhisattva hoort, zijn kami vaak vergezeld van hun boeddhistische equivalent afgebeeld.

Ook dit is een Japanse toevoeging. De Indiase boeddhistische godheden die China bereikten werden weliswaar in Chinese gedaante weergegeven, maar niet vergezeld van een China-eigen godheid. De Japanse ‘mandalisten’ brachten de inheemse godheid en de boeddhistische godheid samen in één entiteit. Overigens kregen de kami in de mandala van de Kasuga schrijn geen onveranderlijke boeddhistische pendant toegewezen omdat de naburige boeddhistische Kofukuji tempel zijn invloed deed gelden. We zien de spiegel, maar de buren vonden het niet gepast om Boeddha Dainichi daarbij te portretteren. De leer was strakker dan de communicatiedoeleinden.

Het zoeken naar de juiste pendant voor bepaalde kami was niet in steen gehouwen. Zo kon het bijvoorbeeld gebeuren dat de derde kami van het Kasuga heiligdom, Ame no koyane no mikoto in de late Kamakura periode (1185-1333) de boddhisattva Jizō kreeg toegewezen terwijl hij in de daaropvolgende Nambokuchō periode (1336-1392) de elf-hoofdige Kannon als boeddhistische manifestatie kreeg toegewezen.

Ook werd de boddhisattva Kannon, als boeddhistische pendant van de belangrijkste kami Takemikazuchi no Mikoto, in de zevende eeuw toch maar eens vervangen door de historische Boeddha Sakyamuni. Dit kwam omdat de Fujiwara clan zichzelf tot patroon van de Kasuga-taisha had benoemd. Omdat de macht van de Fujiwara tot in het keizerlijk huis binnendrong in die periode symboliseerde men dit door Kannon te vervangen door de in rang en aanzien nog hogere Boeddha Sakyamuni. 

Puur Japans

Hoewel de kami-mandala in Kasuga ontegenzeggelijk veel elementen uit de esoterische mandala bevat, kan zeker in het geval van Kasuga een aantal puur Japanse elementen aangewezen worden.

  • De voorliefde van Japanners voor asymetrische weergave blijkt uit het toevoegen van additionele godheden aan de mandala. Dit gebeurt om de volgens de Japanse smaak onnatuurlijke symmetrie van de uit China geïntroduceerde esoterische mandala te doorbreken.
  • Het afbeelden van inheems Japanse landschappen en het Kasuga tempelcomplex zelf is zeer zeker een Japanse ontwikkeling te noemen.
  • Niet alleen worden kami naast en samen met boeddhistische grootheden afgebeeld, ook de afbeelding van het hert benadrukt de samensmelting van Shintō en Boeddhisme. De herten zijn niet alleen gewijde dieren in het Shintoïsme waar zij goden en hun boodschappen vervoeren. Zij spelen evenzeer een belangrijke rol in het lokaliseren van de gewijde gronden uit het geïmporteerde Boeddhisme in Japan. Het wiel van de boeddhistische leer of dhamma wordt van oudsher geflankeerd door twee liggende herten. Je ziet ze op het dak van de Potala en andere Tibetaanse tempelcomplexen en kloosters. Ze zwerven over de boeddhistische wereld, maar zijn alle afkomstig uit het Migadaya hertenpark van Benares (nu Varanasi in India).
Japanse mandala
De eerste vijf discipelen van de historische Boeddha respecteren het Wiel van de Dhamma in het Migadaya hertenpark van Sarnath, nabij Benares.

Door het hertenpark rond Kasuga gelijk te stellen aan het hertenpark in Benares wordt de belangrijke transcendentale waarde van Kasuga onderstreept. Het hertenpark in Kasuga is op deze wijze hetzelfde als het hertenpark in Benares. Eveneens is de Kasuga schrijn zelf een voorstelling van de bovenwereldlijke kosmos, en kan derhalve uitstekend afgebeeld worden op de kami-mandala als object van verering. Op basis van bovenstaande eigenschappen is de kami-mandala uit Kasuga zeer zeker een Japanse ontwikkeling van de mandala te noemen en niet slechts een replica op basis van mandala uit India en China.

Object van verering

Japanse mandala

Ook vandaag zijn mandala’s nog steeds objecten van verering. Al is het vooral de historische en kunstzinnige waarde die bewonderd wordt. Ze hebben een functie gehad als schakel in onderwijs en overdracht van waarden, riten en religie. En doen dat eigenlijk nog steeds. Wanneer je ze aan het kleuren bent. Of wanneer je weer eens opnieuw naar Ghibli’s Mononoke kijkt en voortaan bedenkt waarom juist het hert goddelijke eigenschappen verbeeldt.

Meer informatie over Japanse mandala’s?

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *