Kengo Kuma – anti-architect

Kengo Kuma (1954, Yokohama) is één van Japans meest vooraanstaande architecten. Recentelijk haalde hij het nieuws, toen zijn ontwerp voor het olympische atletiekstadion van 2020 in Tokyo werd uitverkozen door de jury. Opmerkelijk, want er lag al een ontwerp van de (in 2016 overleden) Britse architect Zaha-Hadid op tafel. Dit werd echter wegens te hoge kosten en vooral vanwege het, in vergelijking met de omringende skyline nogal overdonderende karakter, van tafel geveegd. Boze tongen fluisterden dat Japan niet gediend zou zijn van een buitenlands ontwerp voor het belangrijkste Olympisch stadion. Het is echter aannemelijker dat er sprake is geweest van een fundamentelere botsing van Japanse en westerse opvattingen over architectuur.

Het oorspronkelijk ontwerp van Zaha-Hadid. Dit wordt ‘m niet.

Kuma heeft zich ten doel gesteld om Japanse traditionele architectuur geschikt te maken voor de 21e eeuw. In tegenstelling tot veel westerse architectuur baseert de Japanse traditie zich op de natuur. Hij heeft scherpe kritiek op solide, schreeuwerige bouwsels die vooral gemaakt lijken te zijn om een statement af te geven, en niet of nauwelijks in de omgeving passen. Kuma vindt niet dat gebouwen geen identiteit mogen hebben, maar zou graag zien dat de identiteit van het bouwwerk bescheiden is en een gebalanceerde relatie met zijn omgeving heeft, in plaats van te veel aandacht voor zichzelf op te eisen.

Onderscheid tussen westerse en Oost-Aziatische architectuur

Het onderscheid dat Kuma waarneemt tussen westerse en Japanse (of meer algemeen: Oost-Aziatische) manieren van bouwen, wordt ook door Rem Koolhaas, één van de beroemdste Nederlandse architecten onderschreven. Office Metropolitan Architecture (OMA), de studio van Koolhaas, ontwerpt de laatste jaren veel voor opdrachtgevers in Oost-Azië, waardoor zij de verschillen vaak in de praktijk tegen komen. Koolhaas stelt dat in het westen een traditie bestaat waarin architecten gebouwen “in elkaar rammen”. Er is sprake van compressie en brute kracht. In Azië daarentegen worden onderdelen van een gebouw veel meer “aan elkaar gehangen”. Het bouwwerk is intrinsiek verbonden met de omgeving. Met andere woorden, het maakt vanuit zichzelf contact met de omgeving en het ontwerp oogt vaak luchtiger dan een westers gebouw. Op de impressie-afbeelding van het stadion Kuma staan de bomen zowel in als buiten het stadion. Een geraffineerd voorbeeld van het Japanse begrip shakkei, geleend landschap.

Guggenheim museum

Westerse architecten hebben, zeker in modernistische stromingen, de neiging om gebouwen te ontwerpen die alle aandacht naar zich toe trekken, en makkelijk als zelfstandig object te begrijpen zijn. Een beroemd voorbeeld hiervan is het Guggenheim Museum in New York, een spiraal-vormig gebouw dat onmiddellijk herkenbaar is, ook al zou je het in een andere stad neer zetten. Kuma laakt deze manier van bouwen, hij vindt dat het zelfstandige object uiteindelijk vervangen moet worden door architectuur die het tegenovergestelde is van het object, het zogenaamde anti-object. Zeker met de digitale en bouwtechnische methoden die nu voorhanden zijn, kan architectuur volgens hem minder zichtbaar worden en misschien zelfs verdwijnen! Een belangrijke poging hiertoe van Kuma zelf, is de bouw van het Suteki House in Portland Oregon in de Verenigde Staten.

Suteki House

Bij de bouw van het Suteki House, heeft Kuma het uit de traditionele Japanse tuin-architectuur afkomstige principe van shakkei toegepast. Kuma heeft rekening gehouden met de bomen en het meanderende riviertje buiten het perceel van het huis. Het ontwerp is zodanig gemaakt, dat vanuit verschillende gezichtspunten in huis de tuin naadloos overgaat in de daar achter liggende natuur. Het Suteki House is ontworpen om zoveel mogelijk de vorm van de omgeving aan te nemen.

In zijn essay Anti-Object: The Dissolution and Disintegration of Architecture (2008) werkt Kuma zijn standpunten verder uit. Kuma pleit voor een architectuur die uit gaat van relaties en die zijn omgeving respecteert in plaats van deze te domineren. Hij vindt dat veel moderne architectuur werd en wordt neergezet zonder rekening te houden met de omgeving en zonder te kijken naar het totaalbeeld. Deze objecten belichamen een vorm van materiële existentie, die los staat van de aangrenzende omgeving.

Kuma wil een onderscheid aanbrengen tussen deze aandacht opeisende architectuur en gebouwen, die wél ontworpen zijn om zo veel mogelijk in de omgeving op te gaan. Hij bekritiseert alle westerse architectuur en stelt dat westerse architecten telkens weer proberen om objecten te bouwen gebruikmakend van bijvoorbeeld geometrische vormen en strakke lijnen. Dit zijn volgens hem nu net de ingrediënten die ervoor zorgen dat het bouwwerk (te) sterk contrasteert met zijn omgeving.

Kuma vindt dat de gefragmenteerde en gemedieerde levens die we tegenwoordig leiden, vragen om een nieuw soort architectuur: de architectuur van het verdwijnen of zelfs het verdwijnen van architectuur. Dankzij nieuwe (digitale) technologie kan architectuur weer onzichtbaar worden, oftewel anti-objectivistisch. De architect spreekt ook van gedesintegreerde architectuur, die tot in het extreme veranderlijk is. Vanuit een bepaalde hoek kan het ontwerp transparant en gewichtloos lijken terwijl het vanuit een andere hoek weer erg ondoorzichtig en massief kan zijn.

Kuma KengoVolgens Kuma is architectuur een andere naam voor het samenvoegen van materie (dat is, het scheppen van een object) en desintegratie het omkeren van dat proces. Hij wil eigenlijk een architectuur scheppen, die zo min mogelijk architectuur is. We wachten het met spanning af, over enkele jaren zitten we transparant in een fonkelnieuw Tokyo 2020 Olympisch stadion en gaan we op in de omgeving. Maar, heuh, uiteindelijk vooral toch in de openingsceremonie, de vuurpijlen en de sport.

Meer informatie

Print Friendly, PDF & Email

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *