Kyoto : Ginkaku-ji, het Zilveren Paviljoen

Kin en Gin, Japans voor goud en zilver. Er is niet alleen een Gouden Paviljoen, maar ook een Zilveren Paviljoen. Ginkakuji lijkt op basis van zijn naam de tweede plaats op het erepodium in te nemen, lijkt het onbeduidende broertje van die grote gouden te zijn. Maar niets is minder waar: Ginkakuji is even prachtig.

Kenmerken

Ginkaku-ji (銀閣寺), letterlijk de ‘Zilveren Paviljoen Tempel’, is een boeddhistisch tempelcomplex in de noordoostelijke wijk Sakyō-ku, van Kyoto. De officiële naam van de tempel is Jishō-ji (慈照寺). Het zilveren paviljoen werd in 1474 gebouwd op last van shōgun Ashikaga Yoshimasa, die met deze tempel de Kinkaku-ji trachtte te overtreffen. Het huidige paviljoen bestaat uit twee verdiepingen en is het enige overgebleven gebouw van een oorspronkelijk groter complex, gelegen aan een grote vijver in een heuvelachtig park. Kenmerkend zijn ook de grote Zen-tuin van zilverzand en de Kogetsu-dai, een van zand geharkte kegel die Mt. Fuji verbeeldt en minutieus onderhouden wordt.

Historie

Het gouden voorbeeld voor het Zilveren Paviljoen werd twee generaties eerder voor shōgun Ashikaga Yoshimitsu, de grootvader van Yoshimasa, gebouwd. De één hield van goud, de ander zag zilver als het meest edele metaal. Het was dan ook de bedoeling om de Kannon-hal, het tegenwoordige paviljoen, volledig met zilver te bedekken. Maar oorlog voeren kost ook geld, en door de intensiteit van de Onin-oorlog (1467-1477) kwam het er destijds niet van. En het is er zelfs nooit van gekomen, want het Zilveren Paviljoen is nog steeds van ongeverfd donker hout dat prachtig afsteekt tegen de witte panelen en shoji, papieren vensters.

Yoshimasa had dus smaak. En een dure. Dat blijkt ook uit de recente ontdekking dat de Kannon-hal niet altijd opgedragen was aan de Bosatsu Kannon. Het was met name ook geruime tijd daarvoor de ‘dienstwoning’ of ‘datsja’ van de shōgun. Tijdens de Onin-oorlog trok hij zich er terug in contemplatieve stilte, terwijl zijn Kyoto om hem heen afbrandde. Hij woonde er, zo zegt men. Op de benedenverdieping werd tijdens een restauratieronde achter een neergehaalde houten muur van de Lege Hart-hal een closet gevonden. Als ie er dan niet woonde, deed hij er in elk geval andere elementaire dingen.

Na zijn dood werd het gebouwencomplex overgedragen aan de Shokoku-ji monniken van het Rinzai Zen-boeddhisme. Het gebouw is dus niet van zilver, het is onaf. En zo hoort het ook, vinden de monniken. Ze hebben het gelaten zoals Yoshimasa het voor het laatst heeft gezien. De Japanners noemen het wabi-sabi: perfecte imperfectie.

Tempelcomplex

In 2008 werd begonnen met een fors renovatieproject. Inmiddels is het tempelcomplex weer in volle glorie te bezoeken. Het Paviljoen is natuurlijk de reden om langs te gaan, maar ook de Togudo gebouwen die de Ginsha-dan Zen-tuin omzoomen zijn fraai vormgegeven in traditionele architectuur. De Togudo beschikt over tatami-kamers, bedoeld voor de theeceremonie.

Ginkaku-ji wordt even druk bezocht als zijn grote broer. Ook hier dien je de uitgezette route te volgen. Het kloostergedeelte van het complex (Kuri, Hojo, Rosei-tei) is niet toegankelijk voor publiek, maar er is genoeg ander moois te genieten. Bezoekers betreden het complex via de Somon-poort. Daarna volgt de Chumon-poort en loop je richting Zen-tuin. Aan de rechterzijde lonkt het paviljoen, maar pas aan het eind van de wandeling kom je er echt vlakbij. Dit is wel het eerste moment om de foto’s te maken waar je al zo lang van droomt. Het tweede moment vind je op bijgaande plattegrond, aangeduid met ‘lookout’.

Niets is beter dan een kom thee met uitzicht op de stenen tuin en de ruim twee meter hoge afgeplatte kegel die in alle eenvoud berg Fuji symboliseert. Yoshimasa deed dat vanaf de veranda van zijn paviljoen, gewone stervelingen kunnen terecht in de Togudo. Daarna wordt de korte wandeling door het park rondom de Ginkaku-ji aanbevolen. Je kunt een kleiner rondje maken, maar dat moet je werkelijk niet doen; dan mis je de watervalletjes, vijvertjes en stokoude bomen die met bamboestaken liefdevol worden ondersteund. En hoe natter het weer, hoe beter: de ondergrond van de bomen is volledig bedekt met honderden soorten mossen die opleven naarmate het klimaat vochtiger is. Japanse tuinarchitectuur op haar best.

Adres en bereikbaarheid

Kyoto, Sakyo Ward, Ginkakujicho, 2
Klik op de Googlemap hiernaast voor een virtuele rondwandeling. Let op: Google zet haar marker op het verkeerde gebouw, het paviljoen staat er iets links van, aan het water. De Kogetsu-dai, de kegel, is overigens ook te zien.

Je kunt het beste naar Ginkaku-ji gaan vanaf het centraal station van Kyoto. Je neemt bus 5, 17 or 100 en stapt uit bij de Ginkaku-ji bus stop (35min, 220yen).

Meer informatie

Daimonji Gozan Okuribi

Wanneer je uitzoomt op de Google plattegrond tref je op de heuvel onder het tempelcomplex een van bomen ontdaan vlak stuk land. Daarop zie je stenen terrasjes in gerangschikt in de vorm van een kanji, een Japans karakter. Op vijf heuvels aan de oostzijde van Kyoto zijn deze kanji ‘getekend’. Ze spelen een vlammende rol tijdens het Obon-festival, halverwege augustus. Aangenomen wordt dat onze voorouders dan terugkeren naar deze wereld, om hun nakomelingen te bezoeken. Op de avond van 16 augustus worden ze weer uitgeleide gedaan, en om dit moment te markeren worden op vijf heuvels (Gozan) enorme vuren ontstoken in de vorm van kanji. Het Engelse woord voor kampvuur is ‘bonfire’ – zouden zij het hier geleerd hebben? De kanji op de Daimonji-heuvel bij Ginkaku-ji is 大 en staat voor Dai. Groot. En dat is het, indrukwekkend. Alle andere dagen van het jaar is de Ginkakuji er voor je. Weliswaar kleiner, maar even indrukwekkend prachtig.

Dit artikel maakt deel uit van de reeks Ken uw Tempel van Katern: Japan
Print Friendly